(Hieronder volgt de integrale tekst van de eerste 26 bladzijden van het boek, of ongeveer 25% van het hele verhaal. Deze tekst mag worden uitgeprint om te worden gelezen)

 

EEN

Zaterdagochtend omstreeks tien uur...

"Opa, waar is opa nu weer naartoe ?"

Het was de stem van moeder die het hele huis doordrong. Jakkes, dacht Bram, het is weer zo ver. Net op het ogenblik dat het verhaal zo spannend wordt! De jongen klapte het boek dicht en sprong overeind. Als die kreten van moeder door het huis klonken, wist hij hoe laat het was. Het moment dat iedereen in actie moest komen, was aangebroken. Opa had het deze keer bijzonder lang volgehouden.

"Ben je er heel zeker van dat hij nergens in de tuin of in de kelder zit?" riep Bram van op de overloop in moeders richting.

"Heel zeker."

"Dan moeten we naar de zolder en kijken wat er ontbreekt."

Bram rende de trappen op en duwde het luik open naar een grote, stoffige ruimte die volgestapeld stond met allerlei afgedankte spullen. Drie stappen verder stond de grote kast waarin alles netjes opgeborgen zat. In ‚‚n ruk trok de jongen twee van de zes deuren open. Hij had meteen goed gegokt. De bovenste plank was helemaal leeg. Bram zuchtte diep. Het was minder ernstig dan vorige keer. Tegelijk wist hij ook waar ze opa deze keer moesten zoeken.

"En? Heb je het al gevonden?"

Bram keerde zich om en zag het hoofd van moeder in de opening van het luik verschijnen.

"Als ik me niet vergis, moeten we hem ergens in een bos gaan zoeken."

"Oei, dat wordt geen gemakkelijke klus met al dat groen hier in de buurt."

"Akkoord, mams, het kan misschien een paar uur duren voor we hem vinden, maar hij loopt toch niet al te veel risico."

"Zo lang hij maar niet de boswachter tegen het lijf loopt, want daar kunnen vodden van komen."

"Dan zal het toch nog altijd niet zo erg zijn als de vorige keer, toen de brandweer en het leger tussenbeide moesten komen," riep Bram lachend.

Moeder zei niets meer. Ze daalde het steile trapje af zodat haar zoon ook naar beneden kon.

"Pak je fiets maar," riep moeder hem na toen hij als eerste de voordeur bereikte, "en neem het schimmenbos voor je rekening. Dat is het meest dichtbij. Misschien hebben we geluk en zit hij daar. Ik waarschuw ondertussen de rest van de familie. We hebben veel mensen nodig voor deze zoektocht. En heb je ook de GSM meegenomen?"

Uiteraard had hij hem bij zich. Maar goed dat zo'n ding bestond. Het had hen in het verleden al uren extra zoekwerk bespaard.

Bram reed de straat uit. Daarna fietste hij verder in de richting van een lange, donkergroene streep die zich aan de horizon aftekende. Daar lag het Schimmenbos. Daar had hij de grootste kans om opa aan te treffen. Toch vond hij het geen leuk idee dat hij naar dat bos moest rijden. De hele omgeving had iets onheilspellends. Waardoor dat kwam wist hij niet. Toen hij klein was, hadden ze hem met hele enge verhalen bang gemaakt. Volgens die verhalen spookte het daar elke nacht. Of dat klopte, wist hij niet, maar als hij overdag in dat bos kwam, was het net alsof iets kils hem van achter de donkere boomstammen aanstaarde. Hij fietste met grote tegenzin verder. De plotselinge temperatuurdaling was duidelijk voelbaar. Daarnet, toen hij langs de velden in het zonnetje reed, had hij het nog lekker warm. Maar zodra hij in de schaduw van de donkere sparren fietste, kreeg hij fikse rillingen over zijn lijf. Het was alsof al het zweet dat langs zijn lichaam liep, bevroor.

De dennennaalden ritselden onder zijn fietsbanden. Omdat het hier zo stil was, hoorde hij nu pas op hoe zijn oude fiets kreunde onder zijn gezwoeg. Al een paar keer was het in hem opgekomen om opa te roepen, maar Bram wist dat dat weinig zou helpen. Als opa 'het' kreeg, dan leefde hij bijna helemaal in een andere wereld. De man wist dan eigenlijk niet meer wat hij deed. Dat was nu juist het moeilijke van de situatie. Het enige wat Bram nu kon doen was goed uitkijken en van tijd tot tijd stilstaan om te luisteren. Met de spullen die hij had meegenomen, zou opa vooral goed hoorbaar zijn.

Nog geen vijftig meter verder trok Bram al aan zijn remmen. De fiets kwam schurend tot stilstand. Een loodzware stilte daalde over de omgeving neer. De jongen spitste zijn oren en draaide zijn hoofd in alle richtingen. Niets.

Bram fietste verder, maar nog geen twee minuten later kwam hij weer tot stilstand om te luisteren. Opa liet echt niets van zich horen. De jongen vroeg zich af of opa misschien naar een ander bos was gegaan. Dat was bijna niet mogelijk, maar toch ook niet uitgesloten.

Uiteindelijk bereikte Bram de grote, open plaats midden in het Schimmenbos. De zonnestralen deden hem weer deugd. Toch voelde hij zich helemaal niet op zijn gemak. Hoewel de open ruimte baadde in het zonlicht, was ze onwezenlijk. De planten die hier groeiden, leken helemaal anders. Ze leken helemaal niet op gewone planten langs de velden en in de weiden rondom zijn huis. Hier had hij trouwens vorig jaar in november de grootste heksenkring gezien die hij ooit in zijn leven had gevonden. De cirkel van giftige satansboleten had een doorsnede van minstens twaalf meter. Toen hij even in het midden ervan had gestaan, was hij bijna duizelig geworden. Zo snel als hij kon was hij er weer uit weggerend. Wat had hem toen zo te pakken? Waren het die spookverhalen weer? Een oude boer had hem eens verteld dat deze open ruimte in rechtstreekse verbinding stond met de hel. Daarom kon hier ook geen enkele nuttige plant groeien. Zelfs nu, terwijl hij naar opa zocht, bekroop het hem weer.

Opeens hoorde Bram enkele harde klappen van metaal op hout en daarna een hels gekraak. Het kwam van diep tussen de bomen. Een brede glimlach ontvouwde zich op zijn gezicht. Dat kon alleen maar opa zijn. De jongen sprong op zijn fiets en spurtte in de richting van waar hij het geluid had gehoord. In een mum van tijd bereikte hij de rand van de open ruimte. Daar gooide hij zijn fiets neer. Hij sprong over de bramen heen die er in de schaduw groeiden en liep nog een paar tientallen meter verder onder de bomen door. Toen luisterde hij opnieuw heel aandachtig. Zijn geduld werd beloond. Hij hoorde weer gehak en gekraak. Hij hoefde zeker niet meer te twijfelen. Als een haas rende hij verder, tot hij in de verte een witte schim zag. De figuur zwaaide krachtig met zijn rechterarm en liep tegelijk stoer verder. Het leek wel een spook, maar Bram wist beter. De jongen minderde vaart en kwam uiteindelijk op een paar meter van opa tot stilstand. Die bleef staan.

"Mister Livingstone, I presume. Meneer Livingstone, als ik dat zo mag aannemen," zei opa.

Hierbij nam de oude man de tropenhelm die hij droeg, van zijn hoofd en groette zijn kleinzoon.

"Hello mister Stanley, nice to meet you. Hallo meneer Stanley, leuk je te ontmoeten," was de reactie van Bram.

De jongen besefte dat het heel belangrijk was dat hij het spel goed meespeelde. Anders kon dat heel erge gevolgen hebben voor opa. Toen de vorige keer de mannen van de brandweer opa in de riolen hadden gevonden, hadden ze hem meteen gegrepen. Opa was toen heel bruusk naar de werkelijkheid teruggekeerd en was daar dagen niet goed van geweest.

Daarom groette Bram opa zoals dat in zijn andere wereld paste en nodigde hem uit mee te komen naar zijn kamp. De oude man, die een versleten tropenkostuum droeg, een zwarte rugzak op zijn rug torste en een vervaarlijke machete in zijn rechterhand hield, ging onmiddellijk heel hoffelijk op het voorstel in .

Samen bereikten ze de open ruimte.

"Laat u mij even toe dat ik mijn dragers oproep," zei Bram.

Meteen pakte de jongen zijn GSM en tikte het nummer in.

"We hebben de ontdekkingsreiziger gevonden," riep hij. "Hij was in zijn eentje

door de jungle van het Schimmenbos gekomen. Nu staat hij hier bij mij op de open plek. Komen jullie hem onmiddellijk halen?"

 

TWEE

Zondagavond omstreeks zeven uur...

"De eerste keer dat ik door een flink stuk tropisch regenwoud moest trekken, was in de Evenaarsprovincie van het toenmalige Belgisch Congo. Het was in het begin van de jaren vijftig en ik was amper zevenentwintig jaar. Totaal onervaren was ik, en ik beging een grote fout. Ik had geen rekening gehouden met het regenseizoen. Dat was een onvergeeflijke fout die me heel duur zou komen te staan. Ik had nog geen veertig kilometer afgelegd, toen mijn jeep vast kwam te zitten in de modder. Voor ik het goed besefte, zat ik tot over mijn oren in de problemen. Niet alleen bleef het onophoudelijk regenen en werd ik van alle kanten belaagd door bloeddorstige muskieten, ook krioelde de hele omgeving van de vraatzuchtige krokodillen. Bovendien moest ik ook nog rekening houden met een op hol geslagen mannetjesolifant. Het dier was zo woest geworden omdat de pygmeen zijn ballen hadden afgesneden..."

Vader en moeder fronsten hun wenkbrauwen. Vooral vader keek nogal stuurs in moeders richting. Kon zij er niet voor zorgen dat haar eigen vader wat netter praatte?

Bram, zijn zus Sien en zijn broertje Ward zaten vol aandacht naar opa's verhaal te luisteren. Voor de zoveelste keer slaagde de oude man erin hen te boeien met zijn belevenissen van vroeger. Hun ogen en monden stonden wijd open. En naarmate het verhaal vorderde en de spanning steeg, vergaten ze gewoon dat ze eigenlijk aan tafel zaten om te eten. Vader ergerde zich er steeds meer aan.

"Moet hij nu altijd aan tafel met zijn afgezaagde verhalen voor de dag komen? Ik heb hier op de duur niets meer te zeggen," was zijn reactie.

"Maar Tuur, wees toch blij dat hij hen veel weet bij te brengen. Als vader zijn mond maar even opendoet, wordt hij een levende encyclopedie. Had jij maar zoveel meegemaakt in je leven."

"Wil je dan dat ik ook op regelmatige tijdstippen doorsla om dan de hele buurt onveilig te maken?"

"Daar kan hij toch niets aan doen! Het was toch ook zijn schuld niet dat hij vorig jaar in dat pretpark van die struisvogel viel en daardoor die eigenaardige hersenschudding opliep."

"Voor iemand die in zijn leven acht keer de ronde van Afrika maakte, had hij toch kunnen weten wat een risico zo'n vogel inhoudt. Hij weet gewoon nooit van ophouden. Wanneer gaat hij eens inzien dat er aan alles een einde komt?"

"Wil jij hem misschien dood hebben? Al die reizen blijven deel uitmaken van zijn leven, zelfs al krijgt hij 'het' van tijd tot tijd."

"Ja, afgezien van de emoties zijn we er gisteren nog goed van afgekomen met een tochtje door de jungle. De vorige keer wilde hij absoluut weer aan grottenonderzoek doen en wist hij geen betere plaats te kiezen dan de riolen van ons dorp. Ik hou mijn hart vast op de dag dat hij het in zijn hoofd haalt om weer eens een berg te beklimmen."

Vader gooide zijn servet op tafel, stond op en liep nors weg. Moeder bleef beduusd op haar stoel zitten. Ze besefte dat haar echtgenoot niet helemaal ongelijk had. Haar vader was een schattige oude man die vroeger heel wat trektochten naar de laatste ontoegankelijke gebieden van deze wereldbol had gemaakt. Hij diste nog steeds prachtige verhalen op voor zijn kleinkinderen en wist die meestal te illustreren met vele duizenden foto's en reissouvenirs die hij boven op de zolder had liggen. Toch kreeg hij 'het' van tijd tot tijd. Dan dacht hij opeens dat hij weer jong was en er weer op uit kon trekken. Dan haalde hij op zolder dat kostuum of die uitrusting en verdween hij. En wee diegene die hem dan probeerde tegen te houden, zelfs al was het goedbedoeld omdat hij zich in een hachelijke situatie had gewrongen. Ja, op zo'n moment kon niemand van het gezin nog echt lachen. Vader had dus helemaal geen ongelijk dat zijn schoonvader in de toekomst nog voor grote problemen kon zorgen, maar moest opa daarom in een afgesloten bejaardentehuis worden gestopt, waar hij zonder twijfel ver van al zijn herinneringen zou wegkwijnen?

"... en toen ik er uiteindelijk in geslaagd was dat woedende nijlpaard van mij af te schudden, zag ik tussen de palmbomen helemaal in de verte de lichtjes van de missiepost. Ik wist dat ik het had gehaald. Ik was gered, maar het was een dure les geweest. Daarom kinderen, denk altijd na voor je er op uit trekt. Zonder een goede voorbereiding heb je geen enkele garantie op succes!"

Moeder zag hoe haar drie kinderen knikten. Ze hadden weer iets heel moois opgestoken. Nee, opa mocht zeker niet weg, maar dan moest ze er wel iets op vinden om hem nog beter in het oog te houden. Het zou geen gemakkelijke opdracht worden.

 

DRIE

Maandagochtend rond acht uur...

Rammelend en puffend als een oude stoomketel kwam de schoolbus tot stilstand. De klapdeuren zuchtten open en Bram stapte samen met zijn zus en zijn broer de bus in. Met duidelijke tegenzin liepen ze naar achter. De vrouwelijke chauffeur wierp een blik in de achteruitkijkspiegel. Ze trok even haar neus op en ramde met haar rechtervoet het gaspedaal. Het oude vehikel kreeg de volle lading en nog voor de deuren goed dicht waren, zette de bus zich weer kreunend in beweging.

Voor Bram was dit moment altijd het absolute dieptepunt van de week. Vanaf nu stond hij weer onder toezicht van mevrouw Borstoen. Een kreng van een wijf dat door hem en alle andere kinderen van de school hartgrondig werd gehaat. Zoals op elke maandagochtend kwam er nu niet alleen een einde aan een leuk weekend vol spannende boeken en leuke verhalen van opa, maar begon ook de heerschappij van mevrouw Borstoen weer. Bram twijfelde er niet aan dat ze er met opzet voor had gezorgd dat zij op maandagochtend de bus bestuurde.

Mevrouw Borstoen was niet alleen buschauffeur. In de eerste plaats gaf ze les in het vijfde en zesde jaar en tegelijk was ze ook nog directrice van 'De Brandnetel'. Dat was de naam van het kleine schooltje in het dorpje Gammel waar Bram in het zesde jaar zat. Omdat er maar drie klassen waren, moesten de leerkrachten verschillende taken combineren. Dat uitgerekend die helleveeg van een Borstoen ook de taak van directrice had, was een tegenvaller die elk schoolkind al vanaf de eerste schooldag had betreurd.

De twee andere leerkrachten van het schooltje waren eigenlijk geen haar beter.

Mevrouw Schriel had de reputatie haar eerste en tweede klasje met ijzeren hand te regeren. Bram had het nooit zelf meegemaakt, maar zijn broertje zat bij haar in het eerste jaar. De kleine jongen wist over haar echte gruwelverhalen op te dissen. En meneer Smos, die de tussenklassen had, was bijna nog erger. Samen met zijn twee vrouwelijke collega's voerde hij over de leerlingen die 'De Brandnetel' bevolkten een waar schrikbewind.

Bram keek om zich heen. Overal zag hij lange gezichten. Niemand zei iets. Als mevrouw Borstoen aan het stuur zat, moest het in de bus muisstil zijn. Zelfs als je probeerde te fluisteren, had ze het al in de gaten. Ze zat de hele tijd in de achteruitkijkspiegel te turen om de dikke lagen make-up op haar gezicht te inspecteren. Zo hield ze meteen ook iedereen in de bus in de gaten. En wee diegene die ze kon betrappen!

"Jij daar," kakelde ze dan, "jij daar met je lange tong die je niet stil kunt houden, jij mag straks je cadeau komen ophalen."

Dat 'straks' betekende zo vlug de bus op school aankwam. En dat cadeau was een pak strafwerk waarmee je de hele avond zoet was.

Nee, een reden om op zo'n ochtend een vrolijk gezicht op te zetten had eigenlijk niemand. Iedereen keek stuurs voor zich uit. Op ‚‚n uitzondering na. Een jongen die helemaal achteraan in de bus zat, had een opgewekt gezicht. Bram had hem nog nooit gezien. Blijkbaar kregen ze vandaag een nieuwe leerling op school. Die jongen had er ongetwijfeld geen idee van hoe vreselijk het er op 'De Brandnetel' aan toe ging. Wie op die school vrolijk durfde te kijken, smeekte om straf. Heel lang zou die glimlach zijn gezicht niet blijven sieren, al was de jongen nog een kop groter dan Bram.

De brandnetelbus vertraagde. Het voertuig was Gammel binnengereden en de school kwam in zicht. Alle inzittenden werden nerveus.

Bram draaide zich nog een keertje om. Hij wilde die nieuwe leerling wat grondiger bekijken.

Hij had zich niet vergist. Het gezicht van de jongen zag eruit alsof hij tijdens het weekend met zijn fiets in een grote struik met doornen was beland. Over zijn wangen en zijn voorhoofd liepen diepe krassen. Het was alsof de dokter daarna de stukken aan elkaar had moeten naaien. Op dat moment zou de jongen wel niet gelachen hebben. Of toch?

Opa had hem eens verteld dat er eeuwige optimisten bestonden. Mensen die in brokken en in stukken uit een auto werden gehaald en toch nog in staat waren te glimlachen. Bram was benieuwd hoe het de jongen zou vergaan. Of hij ook nog zou blijven glimlachen als hij onder een pak straf werd bedolven.

De deuren zuchtten open en de op elkaar gepakte leerlingen persten zich naar buiten. De nieuwe leerling volgde rustig op een afstand. Het was alsof hij helemaal geen interesse had in de anderen.

Bram sprong op zijn beurt uit de bus. Hij slenterde zo traag mogelijk verder, zodat hij door de nieuweling werd ingehaald.

Samen bereikten ze de speelplaats waar het geklingel van de bel net het definitieve begin van de werkweek had ingeluid.

"In welke klas zit jij?" fluisterde hij de nieuwe toe.

"Bram Peeters!!!" De stem kwam van de andere kant van de speelplaats. De jongen

herkende hem onmiddellijk. Wie eenmaal de scherpe kreten heeft gehoord van een kalkoen die een ei moet leggen, vergeet dat nooit meer. En zeker niet als precies hetzelfde geluid wordt geproduceerd door zo iemand als mevrouw Schriel.

"Jakkes," zei Bram zo stil als hij kon. "Mijn hele avond is om zeep."

Meteen kreeg hij de bevestiging.

"Vijf bladzijden strafwerk!" regende het op hem neer. "Het teken dat de speeltijd voorbij is, geldt ook voor jou, Bram Peeters. Vijf bladzijden ondertekend door je vader. Begrepen?"

Bram knikte met duidelijke tegenzin.

De hele speelplaats keek hem aan. Het was duidelijk dat iedereen medelijden met hem had. Zelfs de nieuweling had een ernstige trek op zijn gezicht gekregen, tot hij mevrouw Schriel in het vizier kreeg en zijn lippen zich weer ontvouwden tot een glimlach. Alsof hij met haar de spot wilde drijven. Meer zelfs, alsof hij haar wilde uitdagen. Gelukkig had ze het niet gezien.

Die jongen durft wel, dacht Bram. Hij vroeg zich af hoe lang het zou duren voor de drie leerkrachten van de 'Brandnetel' hem ook murw zouden krijgen. Want als ze ergens in gespecialiseerd waren, dan was het wel daarin.

 

VIER

"En dit is dan Frank," had mevrouw Borstoen gezegd. "Frank is met zijn pleegouders uit de stad gekomen en woont nu in een groot huis een heel eind buiten ons dorp. Vorige week was hij met zijn fiets betrokken bij een ongeluk. De wonden en de littekens op zijn gezicht zijn nog heel duidelijk. Binnen een paar weken zal hij er veel beter uit zien, h Frank."

En inderdaad, je kon het niet missen. De jongen zag eruit alsof zijn gezicht in brokken en stukken was gevallen die men daarna met een grove steek weer aan elkaar had genaaid. De hele klas had hem aangekeken alsof hij een aap uit de dierentuin was. Dat had hem blijkbaar helemaal niet gestoord. Op zijn gezicht had een grijns gestaan alsof hij bijzonder veel plezier beleefde aan de hele show.

Het was een wonder dat niemand hem tijdens de pauze of na schooltijd had uitgelachen. Ze durfden het waarschijnlijk niet. Frank was niet alleen een kop groter dan alle anderen van de klas, bovendien was hij gebouwd als een kleerkast. Als hij een mep had uitgedeeld, zou het zonder twijfel raak zijn geweest. Zelfs Bram, die niet zo vlug bang was voor iemand, was niet zonder enig ontzag naast hem gaan zitten in de bus.

Meneer Smos bracht de leerlingen naar huis. Hij was een tikkeltje minder streng dan zijn collega Borstoen, wat betekende dat de kinderen gedempt mochten praten in de bus. Zolang er geen kreten te horen waren en zolang iedereen bleef zitten, liet meneer Smos hen begaan.

"Pech gehad, h, vanochtend."

Frank had als eerste iets gezegd, net toen Bram op het punt stond hetzelfde onderwerp aan te snijden. Het was alsof de jongen zijn gedachten had geraden.

"En of," beaamde Bram, "mijn hele avond naar de knoppen. In plaats van lekker boeken te lezen of naar de verhalen van mijn opa te luisteren, moet ik nu mijn best doen om vijf bladzijden volgeschreven te krijgen. En dat allemaal door dat kreng van een Schriel."

"Mag je wel zeggen," zei Frank. "Zulke schepsels zouden eigenlijk geen halve dag op school mogen rondlopen."

"Groot gelijk," bevestigde Bram, "maar hoe krijg je haar weg van school?"

"Oh," zei Frank, "dat is een koud kunstje. Als je je hersenen een beetje weet te gebruiken, als je ervoor zorgt dat je de juiste voorwerpen bij de hand hebt en vooral als je iemand hebt die een handje wilt helpen, dan kunnen er soms wonderen gebeuren."

"Wat bedoel je?" vroeg Bram. Hij slaagde er nauwelijks in de lichte ondertoon van schrik in zijn stem te verdoezelen.

Een brede glimlach verscheen op het gezicht van Frank. De lappen huid die aan elkaar waren genaaid, rekten. Even was Bram bang dat de draadjes los zouden springen en het hele gezicht uit elkaar zou schuiven.

"Dat betekent, mijn beste, dat jij vanavond beter je tijd kunt gebruiken om te lezen en niet om zinloos strafwerk te maken. Als je mij morgen helpt, zorg ik ervoor dat die mevrouw Schriel nooit de kans krijgt jouw straf op te vragen. Reken maar op mij!"

Bram zette grote ogen op. Hij wilde Frank om meer uitleg vragen, maar kreeg de kans niet meer. De rechtervoet van meneer Smos duwde op het rempedaal en de bus kwam tot stilstand. Frank sprong op en liep naar de openzwaaiende deur.

"Tot morgen!" riep hij. "En je weet wat je vanavond te doen staat, h?"

Meteen sprong hij van het voertuig en rende hij weg.

De schoolbus kwam weer in beweging.

Vreemde kerel, die Frank, vond Bram. Die pakte de dingen bijzonder luchtig aan. Alsof er een middeltje bestond om lastige leerkrachten gewoon opzij te schuiven. Nee, Bram had er toch geen vertrouwen in. Alhoewel hij er niet om zou rouwen als er drie andere leerkrachten de scepter zouden zwaaien in 'De Brandnetel'. Erger dan het nu was, kon het nooit meer worden. Als hij mocht kiezen, dan had hij graag mensen die leerlingen als hun gelijke beschouwden, mensen met wie je kon praten, mensen die op een interessante manier les konden geven. Het liefste geen boemannen of boevrouwen die torenhoog boven de jongeren zaten, die alleen maar straf konden geven en bij wie de lessen n grote saaie boel waren.

Bram vroeg zich af of Frank woord zou houden. Hij was benieuwd hoe die kerel het morgen zou aanpakken. Hij zou zelfs bereid zijn een flinke hand te helpen. Maar of hij nu vanavond in plaats van straf te schrijven dat toffe boek van het weekend zou uitlezen, dat wist hij nog niet.

 

VIJF

Dinsdagochtend rond acht uur...

Met hun drien stonden Bram, Sien en Ward bij de voordeur op de bus te wachten. Ze zaten alledrie op 'De Brandnetel', maar elk bij een andere leerkracht. Het zag ernaar uit dat ze alledrie weer een nieuwe vreselijke dag op school zouden doorbrengen.

Gisterenavond was het fantastisch geweest. Opa was in supervorm. Zoals gewoonlijk was hij aan tafel met zijn verhaal begonnen. Het eten bracht hem altijd op ideen. Hij had hen verteld over wat hij allemaal had leren eten bij de indianen in het Amazonewoud. In geuren en kleuren had hij het over ingewanden van aardvarkens, over harige rupsen die geplet werden, over bloederige slangenbiefstukken en over geroosterde sprinkhanen met apenzweetsaus. Telkens had hij benadrukt hoe goed dat eten hem toen had gesmaakt. Vader moest er bijna van kotsen, maar de drie kinderen waren vol bewondering voor de oude man. Jammer dat dat woud zo ver lag, had Wardje gezegd. Anders hadden ze er heen kunnen gaan om alles eens te proeven.

"Ja, in het oerwoud is het eten of gegeten worden," had opa benadrukt. "Als de mens zich bedreigd voelt, moet hij het gevaar radicaal uitschakelen. Meer zelfs, hij moet er zich mee weten te voeden. Dan is het voor hem niet meer zo moeilijk om te overleven. Als je je hersenen maar weet te gebruiken en de juiste middelen bij de hand hebt, dan kun je in die streken de meeste problemen wel aan," was de moraal van zijn verhaal.

Bij die laatste woorden had Bram gedacht aan wat Frank hem in de bus had verteld. Toch had hij het later die avond niet aangedurfd om de zinloze straf niet te maken. Met grote tegenzin was hij eraan begonnen. Hoe graag had hij dat spannende boek uitgelezen! Het risico was gewoon te groot. Niet dat hij Frank niet vertrouwde, maar het sop was de kool niet waard. De maatregelen die op 'De Brandnetel' werden genomen als iemand zijn straf niet had gemaakt, waren keihard. De hele zaterdag moest je naar school komen. Mevrouw Borstoen, die in de buurt van de school woonde, maakte dan haar opwachting. Een serie bladzijden uit je mooiste schrift werd er met veel vertoon uit gerukt. Daarna moest je ze allemaal opnieuw schrijven. Het was een werkje waarmee je vele uren zoet was. Nee, dat had Bram er niet voor over. Met als gevolg dat hij nu op de schoolbus stond te wachten met vijf volgeschreven bladzijden in zijn boekentas.

In de verte zagen ze de schoolbus aankomen, kronkelend langs de velden en de weiden.

Aan de manier van rijden probeerde Bram uit te vissen wie er achter het stuur zat. Normaal moest het meneer Smos zijn, want hij had gisterenavond gereden. Soms kon het ook veranderen. En dat was belangrijk. Als het een van die twee heksen was, dan mocht er in de bus geen woord worden gesproken of het was bingo.

Tot grote opluchting van de drie kinderen zat meneer Smos achter het stuur. Het voertuig kwam tot stilstand en het drietal wipte naar binnen. Zoals verwacht zat Frank helemaal achteraan.

Bram haastte zich naar hem en stelde hem de vraag.

"En? Doe je het vandaag?"

"Natuurlijk!" zei hij en er verscheen opnieuw een brede grijns op zijn verhakkelde gezicht. "Jij hebt toch je tijd niet verspild aan het maken van dat strafwerk?"

"Toch wel," moest Bram toegeven en hij sloeg zijn ogen neer.

"Wat jammer," was Franks reactie. "Je had veel beter dat griezelverhaal kunnen lezen waarmee je in het weekend begonnen bent."

Bram schrok even. Hoe wist Frank dat hij een griezelverhaal aan het lezen was? Hij had er hem nooit iets over verteld.

"Kijk," zei Frank, "hiermee zullen we het doen."

De jongen opende zijn boekentas. Bram keek erin en zag een kikker zitten. Ernaast lagen twee rolletjes die hij herkende als vliegenvangers. Opa en oma aan vaders kant gebruikten ze om er in hun huis lastige insecten mee uit te schakelen. Ze trokken zo'n rolletje open tot een lange, kleverige band. Dat spijkerden ze in de keuken aan een balk vast. Elk insect dat er tegenaan vloog of erop neerstreek, bleef er aan vastplakken.

Opnieuw moest Bram denken aan wat opa gisterenavond aan tafel over die rupsen en sprinkhanen had verteld. Wat zou Frank in godsnaam met die kikker en die rolletjes van plan zijn? Hoe kon hij met die spullen mevrouw Schriel een lesje leren? De jongen kon er niets van maken. Frank was er blijkbaar van overtuigd dat hij het kon. Of waren zijn hersenen door dat ongeluk met zijn fiets zo door elkaar geschud dat hij gewoon doorsloeg? Dan had Bram er toch niet slecht aan gedaan zijn strafwerk te maken.

Net als gisteren kwam de bus op school aan op het moment dat het teken werd gegeven dat de speeltijd voorbij was. Bram had graag nog aan Frank gevraagd hoe hij precies te werk zou gaan, maar met de straf van gisteren nog in zijn achterhoofd, waagde hij zich er niet meer aan.

Het enige wat Frank hem in de bus nog had verteld, was dat hij zijn slag tijdens het speelkwartier wilde slaan en dat hij op Brams volledige medewerking rekende.

De jongens liepen het klaslokaal in. Er stond opnieuw een vervelende les op het programma. Toch voelde Bram de opwinding in zijn buik. Voortdurend vroeg hij zich af hoe Frank met die drie onnozele dingen zijn doel wilde bereiken.

 

ZES

"Het toilethokje is eigenlijk de allerbeste plaats om toe te slaan."

Met deze woorden kwam Frank samen met Bram op de speelplaats aan.

"Hoezo?" vroeg Bram. "Wat bedoel je daarmee?"

Frank grijnsde opnieuw.

"Nou," zei hij, "als je iemand wilt raken, dan moet je eerst wachten tot hij of zij zichhelemaal bloot heeft gegeven. Begrijp je?"

Bram moest even slikken. Hij begreep het. Frank nam dat 'bloot' blijkbaar heel letterlijk.

"Ja," was zijn aarzelende antwoord, "maar hoe wil je dan precies te werk gaan?"

"Gewoon iets doen met die kikker en met die twee vliegenvangers. Je zult het straks wel zien. Ben je er klaar voor? We sluipen nu weer naar binnen."

Bram was razend nieuwsgierig. Hij volgde Franks voorbeeld en probeerde het gebouw weer binnen te komen zonder dat iemand het zag.

Ooit was het aantal leerlingen op deze school veel groter geweest. Er waren in totaal zeven klaslokalen. Slechts drie ervan werden nu nog gebruikt. De twee jongens moesten door heel wat gangen sluipen.

Zoals Bram al had verwacht, liep Frank naar de toiletten van de leerkrachten. Schriel, Smos en Borstoen waren nog op de speelplaats. Vanochtend waren het de laatste twee die de leerlingen moesten bewaken. Dat betekende dat mevrouw Schriel eigenlijk vrij was. Met een beetje geluk bleef ze nog wat doortateren met de anderen.

"Hou jij de speelplaats in het oog, en vooral de leerkrachten," zei Frank. "Terwijl jij op de uitkijk staat, doe ik mijn werk."

De jongen trok twee plastic handschoenen aan en opende de deur van het damestoilet. Bram was razend nieuwsgierig. Hij probeerde zowel de speelplaats als het toilet in het oog te houden.

Zodra Frank in het hokje was, klom hij boven op het toilet. Met n hand reikte hij naar de lamp aan het plafond en begon het peertje los te draaien.

Wat gaat hij daarmee doen, vroeg Bram zich af.

Met het peertje los in zijn hand, gaf Frank er een flinke tik mee tegen de tegelwand.

Even dacht Bram dat het glas in het rond zou vliegen, maar de lamp bleef heel.

Onmiddellijk daarna schudde Frank het peertje bij zijn oor heen en weer.

"Kapot," zei hij glimlachend.

Onmiddellijk draaide hij het peertje weer op zijn plaats. Hij sprong van het toilet en duwde op de schakelaar. Zoals verwacht brandde het lampje niet meer.

"Alles nog ok daar op de speelplaats?" vroeg hij.

Bram knikte.

Frank deed het deksel van het toilet omhoog en haalde een van de rolletjes uit zijn broekzak. In n ruk was het open. In zijn handen hield hij nu een lange, kleverige band. Zo behoedzaam mogelijk legde hij die op de toiletbril, zodat de linkerkant er helemaal mee bedekt was.

Bram begon het plan van Frank te begrijpen. Nu werd ook de andere kant van het toiletbril met het kleverige spul bedekt. Nu begreep Bram ook waarom het straks donker moest zijn in het hokje.

"Alles nog ok?" vroeg Frank toen hij zag dat Bram voortdurend naar hem keek.

Bram keerde zich om, zag de twee andere leerkrachten op de speelplaats, maar mevrouw Schriel was nergens meer te zien.

"Ik ben bang dat ze eraan komt," riep hij.

"Verdomme," zei Frank.

Vliegensvlug haalde hij de kikker uit zijn broekzak en gooide hem in het toilet. Hij klapte het deksel vlug neer en duwde daarna de deur dicht.

Als de bliksem renden ze naar het dichtstbijzijnde klaslokaal. Gelukkig was de deur niet op slot. De stappen van mevrouw Schriel waren in de verte al te horen en ze kon elk moment om het hoekje verschijnen.

Net op tijd zaten Frank en Bram in het klaslokaal. Mevrouw Schriel liep de deur voorbij waarachter ze zaten, recht naar het damestoilet.

Frank en Bram begluurden haar van achter een gordijn in de klas ernaast. De jongens zagen hoe ze de deur van het toilet opende en het licht wilde aanschakelen. Toen het niet werkte, konden ze een kleine vloek horen. De deur ging dan toch dicht en ze hoorden het slot draaien.

"Nu moeten we weg wezen," riep Frank. "Nu kan het elk moment gebeuren."

Ze stormden het klaslokaal uit en renden zo stil mogelijk weg.

Nog geen halve minuut later bereikten ze zonder te worden gezien de speelplaats. Het was gelukt.

Mevrouw Schriel ging op de toiletbril zitten. Onmiddellijk voelde ze de kleverige substantie die haar bips helemaal omringde. Ze wilde direct weer opstaan, maar voelde dat ze onherroepelijk vast zat. En toen sprong er iets kouds en nats uit het toilet omhoog...

Het gegil was tot op de speelplaats te horen. Even later zagen alle leerlingen mevrouw Schriel in haar blote kont jammerend door de lange gang rennen.

Frank, die samen met Bram aan de andere kant van de speelplaats stond, gaf hem een stootje met zijn elleboog.

"Ik denk niet," zei hij droog, "dat jij vandaag die straf nog zult moeten afgeven. Wat jammer van al dat werk van gisterenavond."